DE OEHOE (Bubo bubo)

De Oehoe is de grootste Europese Uilensoort. Zij staat op bijlage 1 van de Europese Vogelrichtlijn, en geniet daarmee de hoogste bescherming.

De uil heeft een lichaamslengte van 60 tot 75 cm. en een spanwijdte van meer dan 1 meter 60. Vrouwtjes zijn groter dan mannetjes.
De Oehoe staat als roofvogel aan de top van de voedselpiramide. Het is de wolf onder de vogels, met klauwen zo groot als een hand. De nagels zijn zo’n 3 cm. lang en vlijmscherp.
De Oehoe is een standvogel en verblijft jaarrond in zijn leefgebied.

Sinds 1997 broeden er in Zuid Limburg Oehoes, en vanaf 2002 ook in Gelderland.
Een van deze Gelderse broedparen is sinds enkele jaren niet meer actief. Na het tweemaal wegvallen van de mannelijke Oehoe heeft de vrouwelijke Oehoe het gebied verlaten.
Op dit moment zijn er meerdere broedparen in Nederland. De meest bekende zijn de Oehoes in de ENCI groeve van Maastricht en die van Ratum (Winterswijk genoemd). Op initiatief van ondergetekende zijn deze Winterswijkse Oehoes onderdeel geweest van een webcamproject.
Daarnaast is sprake van verschillende territoria waar zich Oehoes gevestigd hebben, of zich laten horen, maar het nog niet tot broeden is gekomen.
De plaatsen waar Oehoes af en toe te horen zijn kunnen officieel niet als territoria aangemerkt worden. Bijstelling van deze aantallen is dan ook wenselijk.
De Oehoes in Nederland maken van oorspong deel uit van de Oehoepopulaties in Duitsland en de Belgische Ardennen.
Nederland kent ook broedparen afkomstig van tamme Oehoes. In Brabant zijn in ieder geval twee van deze semi-territoria bekend en waar het ieder jaar tot broeden komt.
De Oehoe heeft als voorkeur qua leef- en broedgebied steengroeven en kale rotswanden.
In Nederland is er een broedgeval bekend uit een naalboomnest.
De Oehoe bouwt zelf geen nest, en in het geval van een boomnest maken ze gebruik van oude havikshorsten. Bij het uiteenvallen van een van deze havikshorsten in Nederland, is deze vervangen voor een uit takken bestaande kunstnest (zie genoemde Oehoes hierboven van 2002).
Tevens maken Oehoes gebruik van nestkisten en zijn zij broedend op de grond aangetroffen.

Qua voedsel is de Oehoe een opportunist. Hij vangt wat hem in het oog komt, maar heeft wel voorkeur.
Duif, rat, kraai, egel, en konijn staan bovenaan de lijst. Maar ook roofvogels en uilen komen voor op de menukaart. In een gebied waar vossen voorkomen, zullen de jongen daarvan ook af en toe als voedsel dienen (zie archieven webcamonderzoek “Lotte”).

De Oehoe kent een voorbalts in de herst. In deze perode roepen de uilen naar elkaar en brengen bezoekjes aan potentiele nestplaatsen. Man Oehoe wijst het nest aan, en vrouw Oehoe beslist welke het meest geschikt is.
In januari volgt dan de hoofdbalts waarbij man Oehoe bij wijze van huwelijkscadeau de vrouw muizen, of andere prooien aanbiedt in de toekomstige broedholte of nest.
Medio februari, begin maart worden er dan 2 á 4 eieren gelegd. Een vijftal komt sporadisch voor.
Vrouw Oehoe zorgt voor het uitbroeden van de eieren waarbij Man Oehoe haar van voedsel voorziet.
De broedduur is 33 á 34 dagen. Na het uitkomen van de eieren neemt vrouw Oehoe ook grotendeels de zorg op zich. In het begin levert man Oehoe de prooien aan, om daarna bij het groter worden van de “pullen” hulp te krijgen van het vrouwtje.
Na 4 weken verlaten de jonge Oehoes het nest. Ze kunnen dan nog niet vliegen en hangen een beetje als “takkelingen” in het rond. Ze worden dan nog steeds verzorgd door de ouderdieren.
Regematig keren ze nog terug naar het nest, en als ze 9 weken oud zijn kunnen ze vliegen.
Zo in de maand september/oktober beginnen de jonge Oehoes dan aan hun dispersie, zoekende naar een eigen territorium.